Vasily Wells, nav tentoonstelling in het Braem Paviljoen Middelheimmuseum, Antwerpen (BE)

 

Twee strandballen

De telefoon ging en ik herkende de stem die zei ‘Hello Vasily, this is Henk calling’. Ik stond voor het enige raam van mijn appartement drie-hoog en keek naar de mensen slenterend op de Nevski Prospect onder mij, die allemaal dezelfde richting opliepen. Zij werden door de stad aangetrokken én door elkaar. Henk vond het tijd om mij weer te zien en nodigde mij enthousiast uit om bij de opbouw van de tentoonstelling in het Middelheimmuseum in Antwerpen aanwezig te zijn. Ik moest ongewild glimlachen, toen hij mij vroeg wat ik van de titel vond: Precies zoals ik het me herinnerde. ‘Prikrasna’ zei ik en was blij dat hij aanbood de reiskosten te betalen. Een paar dagen later reisde ik van Pulkovo airport via Stockholm naar Brussel. Het laatste deel van de reis vanaf het station van Antwerpen nam ik de taxi naar het park Middelheim. Enigszins onderuit gezakt op de achterbank probeerde ik mij te concentreren op wat komen zou, op wat ik zou gaan zien: beelden van Henk in het paviljoen van Renaat Braem. Hij had er veel over verteld in uiteenlopende bewoordingen, zichzelf tegensprekend alsof dit noodzakelijk was om duidelijk te zijn, met het gevolg dat ik allemaal beelden in mijn hoofd had, waarvan ik niet wist of ze wel bestonden.

Ik realiseerde mij, dat ik zijn werk al vanaf de jaren 80 kende en leerde Henk persoonlijk kennen toen ik zijn atelier bezocht in 1989. Het was het begin van een vriendschap, het begin ook van een serie teksten over hem en zijn werk, waardoor ik in het leven van Henk besta en hij in mijn denken. Ik herinner me dit eerste bezoek nog goed, ook zijn woorden: ‘Vasily, it is all about time’. Ik herinner me vooral het lange zwijgen erna. Ik heb nooit begrepen waarom en er ook nooit over geschreven. In het laatste telefoongesprek gaf hij tot mijn verwondering, op mijn vraag of het nog steeds over tijd ging, uitgebreid antwoord: ‘Jazeker, maar ik neem de causaliteit van mijn handelingen voor lief. Ik ben vooral geïnteresseerd in de gevolgen. Ik wil het ondefinieerbare begrenzen tot iets wat ik kan zien en kan grijpen met mijn handen, ik wil kortom, de synchroniteit van alles wat ik zie en weet en denk in een beeld loslaten. Elk beeld is een volière.’ Hij was het overdrijven nog niet verleerd. Ik herkende zijn manier van redeneren en vroeg mij af of ik wellicht in een leeg paviljoen zou moeten ronddwalen, die de architect -‘geweldig’ volgens Henk- 50 jaren geleden ontworpen had. Maar denkend aan zijn Stories of the Present uit 1992, een poetisch-hilarische tekst geschreven in Italie vlak voor zijn jongste zoon geboren werd, wist ik dat Henk een meester was in het jongleren met logische verbindingen en dat hij vaststaande begrippen ontmantelde, bij hem geen zwaar klinkende woorden in lege ruimtes. Hij was evenmin een theoreticus, die zoekend binnen streng geformuleerde verwijzingsmodellen naar de juiste samenhang van woorden en begrippen, zijn geluk vond. Nee, hij zou dus de ruimte gebruiken, innemen, bezetten en conditioneren omwille van het ervaarbare. In het Russisch zijn er veel woorden voor ‘ervaring’ en één van de meest complexe daarvan is ‘toska’ een begrip dat dicht bij het werk van Henk komt, en staat voor alles wat door de zintuigen wordt verwerkt of wordt verworpen, een gevoel van overweldigd zijn, zonder dat daar een specifieke oorzaak voor aan te wijzen is.

Ik had op internet gezocht naar het paviljoen van Renaat Braem, omdat dit voor Henk zo een inspirerende ruimte bleek te zijn. De architect heeft nog op 77-jarige leeftijd zijn herinneringen opgeschreven en ook gepubliceerd onder de titel ‘Het schoonste land ter wereld’. Ik vond het boekje en met hulp van een stagiaire, die op het Belgisch consulaat werkt, kon ik het lezen. Het nawoord van zijn vrouw Elza Severin was bijzonder grappig. Zijn levensgeschiedenis begint met het beeld van het eerste bombardement op Antwerpen van 23 augustus 1914, de dag dat een Duitse Zeppelin boven de stad verscheen; een beeld waarvan hij dan, als 77-jarige een tekening gemaakt heeft en eronder schreef Bommen op het zuid! Hij beschreef een warme, zomerse dag, waarop de straat, met aan weerszijden hoge huizen het decor werd van een helse brand als gevolg van de reeks bommen die op de stad vielen: ‘Ik zie het lange perspectief van de Montignystraat, de aaneengesloten rij bleke, witgelakte gevels en boven het vluchtpunt van alle lijnen, voor mij kleine jongen, eindeloos ver, de ontploffende Duitse schrapnels.’ Uit deze brandende stad is een architect voortgekomen, die een voorkeur had voor vloeiende lijnen, ruimtes zonder obstakels met zacht licht als om dat afschrikwekkende beeld van de brandende Montignystraat te vergeten. Het paviljoen was inderdaad een bijzondere ruimte met een weidse, maar toch besloten, intieme lichtheid. Het spel van licht en schaduw werd veroorzaakt door geraffineerd geconstrueerde bovenlichten die buiten aan de zijkant de vorm van opvliegende vogels hebben. De ruimte eindigt in een groots en feestelijk, deels te openen deurpartij over de volle breedte van het paviljoen. Het einde leek een pleidooi en uitdrukking te zijn van het verlangen om verder te gaan, de wereld in.

Deze geschiedenis deed mij als oud literatuur student (weliswaar zonder deze te voltooien) natuurlijk onmiddellijk denken aan Vladimir Nabokov en aan zijn gedwongen vlucht in 1919 uit het Bolsjewistische Rusland, waarbij niet alleen het complete familiebezit verloren raakte, maar schrijnender de daarmee verbonden herinneringen uit zijn kindertijd, op onbereikbare afstand kwamen te staan. Het kind-zijn heeft voor deze generatie een dramatische betekenis, zoveel was duidelijk, maar het was ook het beeld van ongetemde creativiteit. Nabokov rende zijn leven lang achter vlinders aan, als was het die eerste vlinder -de koninginnenpage (Papilio machaon)- die hem als kind van zeven betoverde. In Memory speak schreef hij over een prachtig lichtgeel wezen, dat ongedurig klapte met zijn enorme vleugels. Henk zou zeker niet verrast zijn, dat de naam Papilio van het Latijnse papilione (vlinder) etymologisch verwant is met het woord paviljoen, dat verwees naar een tent waarvan het doek klappert als de vleugels van een vlinder; de vlinder en het paviljoen, plaats van de kunst, plaats van metamorfose.

De taxichauffeur draaide zich om en zei: ”Middelheimmuseum, meneer.” Ik betaalde en stapte uit. Ik zag een wonderlijk, licht-roze oplichtend bouwwerk, dat het midden hield tussen een benzinepomp en een kermisattractie. Op het dak stonden in flikkerende neonletters namen van kunstenaars en het was alsof zij door die pulserende, chaotische lichtknipperingen tot leven werden gewekt en de wereld in werden gestuurd. Ik liep verder het park in, kijkend naar kunstwerken uit verschillende tijden en kreeg het gevoel dat de tegenwoordige tijd ongedefinieerd en dus onbegrensd is; dat de toekomst als gekoesterde hoop tot de werkelijkheid gerekend dient te worden; dat het verleden echt voorbij is ook al wordt de vervormde, geconstrueerde en dus vervalste, vervagende herinnering gekoppeld aan het schrift om te overleven. Het helpt niet. Kunst loochent de tijd en de ruimte wordt een immense tegenwoordigheid waarin alles synchroon voortduurt. Ik vermoedde dat Henk het hiermee eens zou zijn.

Vanuit de verte herkende ik het Braem-paviljoen. Ik versnelde mijn pas, liep langs een gekantelde auto en liep recht af op een haas met lange oren. Ik herkende het beeld van de omslag van een boekje dat Henk mij eens gegeven had en dat hem erg dierbaar was, met de titel Nu Stil. Daarin had hij geschreven, ‘wij zijn organen van de tijd’; zijn beelden zijn die organen! Ik stapte het paviljoen in en werd overdonderd door de veelheid van werken. Ik zag allerlei objecten, vormen, kleuren, lijnen en gaandeweg herkende ik enkele beelden en voorstellingen. Maar ondanks de veelheid en de schijnbare willekeur waarmee de werken dicht bij elkaar geplaatst waren en waardoor het onmogelijk was een overzicht te hebben, was er geen chaos. De onderlinge verbondenheid tussen de werken was veel sterker dan hun uniciteit. Alle objecten stonden met elkaar in verbinding en gingen in elkaar op. Hun mogelijke, onderlinge combinaties leken oneindig en daarmee leken zij ook vrijgegeven aan de fantasie. In strikte zin kon deze presentatie niet gezien worden als een verzameling objecten. Wat ik zag was een opeenvolging van handelingen in de tijd en van de tijd wat uiteindelijk leidde tot een groots visioen, waarin het kijken geen ander doel dient, dan om te weten, zeker te weten, dat niets op zichzelf staat, dat alles overal is en dat er altijd een elders is. Waar ik zo van hield, was de subtiele, maar ook feestelijke samenkomst van meerdere zintuiglijke indrukken, die zich vermengden en deel werden van een verhalende structuur.

Ik ging op een metalen, blauwe stoel zitten, in gedachten verzonken, spelend met de veerkracht van de rugleuning. ’Hello Vasily’ hoorde ik en keek op. Henk kwam lachend naar mij toe, dezelfde glimlach als in 1996 maar hij was wel iets ouder geworden en droeg een hel-blauwe hoed. ‘Beautiful’ zei ik, ‘Krasivaja vistavka’. We stonden tegenover elkaar, een beetje vreemd, alsof we samen – om met Nabokov te spreken – met een onzichtbare strandbal speelden. Henk keek me ernstig aan en zei langzaam en op een bezwerende wijze die ik uit Rusland kende: ‘Vasily, deze zin zit al de hele middag in mijn hoofd: kunst geeft de tijd de tegenwoordigheid die nodig is zodat wij in de ruimte, deze ruimte, kunnen leven’ en hier maakte hij met beide armen een grote beweging door de lucht. Twee strandballen, dacht ik.

Vasily Wells
Sint Petersburg, 20 februari 2014

Top