| |
We want the world and we want it now
Deze tophit uit de jaren 60 is inmiddels realiteit geworden. Als protest was het gericht
tegen de heersende gehoorzaamheidsdoctrine. Als creatieve daad echter
betekende het een roep om individualisering. En dit laatste is inmiddels
realiteit. Het individu is populair. En daarmee het Nu en daarmee de wereld.
Het Nu als norm van tijd heeft een grotere actualiteit dan bijvoorbeeld
het begrip nieuw, een woord dat in de jaren 80 de actualiteit belichaamde.
Een woord, dat van iedereen een gelovige en medeplichtige maakte in een
cultus van blinde jeugdverering. Nu is sterker; Nu is de overtreffende
trap van nieuw. En wie in het Nu leeft, is werkelijkheid. In het Nu is
men diegene die men altijd al wilde zijn en datgene wat het geval is.
Nu is hier en u bént de wereld.
Het Nu is de persoonlijke tijd, waarin het zelfbewustzijn afspeelt. De
weg naar jezelf, zo staat in elke folder over zelfstudie te lezen, gaat
via het Nu. Het is het zelfbewuste individu dat het Nu mogelijk gemaakt
heeft; het is het product van het individualiseringsproces. Maar de belofte
aan werkelijkheid is hiermee niet vanzelfsprekend. Het Nu is namenlijk
ook het medium waarvan de verbruikerscultuur zich met agressieve middelen
bedient om de zojuist verworven eigen tijd van het individu te infiltreren.
Het individu is consument geworden en gedraagt zich als de bediende van
de prullenbak; koopt goederen om iets te hebben dat weggegooid, afgedankt,
verworpen moet worden. De rituele vormen, die het weggooien aanneemt,
heeft de functie van reiniging en duidt, in psychologische zin, op een
schuldgevoel. Maar dit terzijde. Van de goederen is de omlooptijd verkort
in de obsessie van het hebben-en-weggooien, hun waarde vermindert en de
tijd raakt op. Banden met de tijd-die-duurt bezwijken onder het genot dat
het Nu biedt. Voor de nouveau riche echter, laat de kunsthandel de prijzen
van de (enkele) oude meesters stijgen.
Er is geen tijd tot nadenken waar alle aandacht is gericht op het instandhouden
van dit Nu. In de poging bij te blijven met het Nu, dat zo geliefd, aantrekkelijk
en verslavend is omdat het onmiddellijk toegankelijk is en zich voortdurend
en verleidelijk opdringt, bezwijkt het zelfbewustzijn meer en meer. Ontdaan
van visie en herinnering en nog slechts droom, goed verzorgd en goed gekleed,
glimlachend en zelfgenoegzaam, sterft het binnenkort een goede maar te
vroege dood, zonder pijn, onwetend van de oorsprong van zijn ondergang.
Het sterft niet alleen. Met hem sterft ook een kunstbeschouwing waarin
het kunstwerk spiegel is van ons ongedachte denken.
De geschiedenis van de beeldende kunst kent het Nu sinds het Impressionisme
als terugkerend fenomeen, als relativering van theorie en abstractie,
als manifestatie van een verlangen deel te hebben aan het leven op een
volkomen individuele en a-historische wijze (dada, Futurisme, Fluxus e.a.).
Het kunstwerk in de late jaren 90 bezint zich expliciet en nadrukkelijk
op het Nu en dit wordt merkbaar in de uitbreiding van de context en thematiek
van het kunstwerk. Zij poogt het leven,dat in de postmodernistische euforie
verknipt en verloren raakte, weer te verbinden aan de eigen ervaring.
Er is kunst die zich nadrukkelijk in het alledaagse mengt, er is kunst
die een sociale daad stelt, die het persoonlijke van de toeschouwer bespeelt
(een toeschouwer die trouwens meer en meer participeert in een geregisseerd
verhaal), er is kunst die zich ophoudt in toeristische gebieden of in
alternatieve restaurants, er is kunst die meewerkt aan het opzetten van
een communicatienetwerk, er is kunst die de entertainment-business tegemoetkomt
en als interface functioneert, er is kunst die zich aanbiedt als een lach,
als een maaltijd of een gesprek, als een kus.
Wat betekent het trouwens als de kunst samenvalt met het Nu? Dat het opgaat
in haar context en instemt met haar verdwijning. Dat zij volledig integreert.
Deze popularisering geeft het kunstwerk een sterke en brede verankering
in maatschappelijke geledingen maar maakt het kunstwerk tegelijkertijd
ontvankelijk en weerloos ten opzichte van haar nieuwe (onbekende) gebruikers.
Professionele cultuurondernemers die de kunst instrumentaliseren ten behoeve
van eigen belangen, kunnen zich in dit klimaat nog efficiënter bewegen.
Het kunstwerk wordt deel van de ideologie die er belang bij heeft of er
geloof aan hecht dat het zwaartepunt van het bestaan zich in het Nu bevindt.
Maar het kunstwerk dat niet eindigt waar het Nu eindigt,is niet het Nu.
Het creëert het Nu vanuit de rol waarin het tot het zelfbewustzijn spreekt
als voorwerp en daar; dan- in deze nieuwe ruimte- vindt de objectivering
van de ervaring plaats waarbij het verleden en de toekomst van het kunstwerk
en het verleden en de toekomst van de toeschouwer aan elkaaar gemeten
worden, verwisseld worden, elkaar verlichten of verwarren en onderhandelen
over zin en onzin van het gedachte en het ongedachte...
|
|