| < | ||
|
De schrik voor het opnieuw beginnen; nu, dadelijk morgen of nooit, elk moment is een onderbreking, elk begin een storing van wat al begonnen was. De schrik gaat schuil in de angst voor al het mogelijke. Zo rijk waren wij nog nooit! De pijl verlaat de boog... Jazeker,laten wij bidden uit naam van niemand en schreeuwen. Laten wij tellen tot een groot getal verschijnt( voor velen een toevlucht, altijd deelbaar; men is er nooit alleen) dat zich bekendmaakt als iets dat zo moet zijn maar ook niets is, zonder bedoeling. Zo zijn wij, een groot getal dat steeds verandert. Slaap van vele kinderen verzamelt zich in ons. Het oude liedje.Naar huis !naar huis! waar de tijd ons ontvangt bij de ezels,op stal met de lange oren,hun poten in het droge gras,bij de drollen, bij de potten en de pannen en het wit skelet.Daar gaan we, verjaagd en verstoten. En we verlaten de dag huilend zoals de jongens doen met hun donkere gezichten onder de grote poort van het grijze monument van de strenge koning en nog eenmaal roepen zij door hun tranen heen:Land,Land,maar hun kisten zijn reeds op maat gezaagd, hun witte kruizen reeds geschilderd. hun namen bestaan alleen nog in schrift. voor Suchan Kinoshita 1999 |
||
| < | ||