| |
Toen ik mezelf nog was...
Toen ik mezelf nog was, wist ik dit niet. Ik wist ook niet dat ik een tevreden
mens was. Dit komt mij nu als onnadenkend en vreemd voor, maar dit was
het gevolg van het feit dat ik niet geinteresseerd was in mijzelf. Dit
was ook niet nodig, ik was namelijk mijzelf, ongedwongen.
Ik woonde in een park en werkte in een grote schuur. Hier onderzocht ik
het in slaap vallen. Ik beoefende dit vele malen per dag. Het was een
grote kunst daarbij wakker te blijven, maar het loonde de moeite. Ik weet
dat het toen veel regende. Als ik dan na een wandeling langs oude bomen
in het donkergroene park met zwarte rubberlaarzen, in een gestadig groter
wordende plas water, onder een lekkend dak in een rechtopgezette ligstoel,
zittend, mijn rug warmend aan een goed brandende houtkachel, nadacht -
beter gezegd mezelf verwarde, want ik raakte vaak geheel in de war, hoewel
ik me dit toen echter niet zo realiseerde - over de diepte van de diepzee,
de bodem van de aarde en de verte van het heelal en luisterde naar de
regen op het dak, waarvan het geluid zich mengde met het loeien van de
kachel, waarin hout knapte en waarvan het venster oranje kleurde en af
en toe het deksel plofte waardoor een rookwolk ontsnapte en zich in de
ruimte verspreidde, dan raakte ik in een toestand, waarin alles even belangrijk
was: een broodkorst, een vulpen, een schoenveter, een schroevendraaier,
de lichtvlek op de vloer, alles kreeg dezelfde waarde. Dit zag ik als
iets buitengewoons en ik schreef op een lege bladzijde van een schrift:
"verlaat nooit uw huis" en in een Chinees boek las ik: "Als iemand vraagt
wat niet gevraagd kan worden, dan ligt zijn vraag buiten de redelijke
grenzen". En in hetzelfde boek stond: "Als iemand antwoordt waar antwoord
onmogelijk is, dan heeft hij van het onderwerp geen ware kennis". Ik vroeg
me toen af of het mogelijk is erachter te komen, wat het is dat niet gevraagd
kan worden en ook of en hoe een antwoord op een vraag die wel gesteld
kan worden, kan worden onderscheiden van een antwoord op een vraag die
men niet zou moeten stellen. Had hier het filosofische vraagstuk naar
de ware kennis geen raakvlakken met een criminele praktijk, ja, lag hier niet
een taak van de justitie, om mensen, die uit gemeenheid, machtswellust
of wat dan ook (men kan immers alles verwachten als het gaat om iets onredelijks),
er genot aan ontlenen om andere mensen vragen te stellen die men eigenlijk
niet kan stellen, op hun dwaling en de gevolgen hiervan te wijzen. Want
degene die antwoordt - in onschuld- kan hierdoor zichzelf en ook de anderen
schade berokkenen. Al was het alleen maar doordat het antwoord dat gegeven
werd een antwoord was op een vraag, die niet gesteld kan worden en men
dus door te antwoorden gedwongen werd het domein van het onredelijke te
betreden. Indien dit in volle onwetendheid werd gedaan, maakte dit het
vergrijp alleen maar ernstiger, doordat men zichzelf, maar mogelijk ook
anderen, in het ongeluk stortte. Want begeeft men zich in het onredelijke
- dit weet iedereen die wel eens een serieus boek leest - dan niet anders dan goed voorbereid!
Door deze vragen naar de grenzen van het onredelijke in beslag genomen,
vroeg ik mij tenslotte af of alles wat men waarneemt als een antwoord
(op een al dan niet te stellen vraag), dan wel als een vraag moet worden
beschouwd. Ik constateerde dat al het aanwezige,juist door zijn ongekendheid,
het voortgaan mogelijk maakt en ik schreef dit op. Blijkbaar was het ongekende
deel van het gekende en dit op een manier, dat zij niet meer te scheiden
zijn. Het ongekende was een wezenlijk en onvervreemdbaar deel van het
gekende; vraag en antwoord waren identiek! Dit was nu duidelijk en met
dit inzicht verviel voor mij het probleem van vraag en antwoord. Nu was
het mogelijk om over de dingen en de wereld eenvoudigweg te spreken. Ik
schreef toen het volgende op: "het verborgen woord wordt langzaam neergelaten,
langzaam, zoals men vracht het schip indraagt, dat belast, natuurlijk,
maar ongewogen toch die diepgang waagt". Het werd tijd ook mezelf toe
te spreken, plechtig zei ik, staande voor een oude spiegel, terwijl ik
probeerde een schreeuwen te onderdrukken: "Hier voor u staat een organisme
waarmee de spreker zich vereenzelvigt". Dit was wel het minste van wat
er gezegd kon worden en ik kon mij in deze toestand niet voorstellen dat
iemand het hiermee oneens zou kunnen zijn. Ik wachtte en deed een tijd
niets, de mogelijke uitwerking van deze welhaast bezwerende formule afwachtend.
Ik begreep dat het kernpunt van verwarring is, dat de mens zichzelf denkt
als iets stabiels, als iets blijvends en hier geen afstand van wil doen
en omdat de ervaring voortdurend dreigt onze voorbijgaandheid aan ons
te onthullen, maken we van alles een vraag- en antwoordspel, waardoor
we in de roes van het denken, de illusie hebben volwassen en verantwoordelijk
met de wereld om te gaan. "Ja, zo zit dat, zoveel is zeker", sprak ik
mijzelf toe. Ondertussen bleek het spreken meer te zijn, dan eigen aan
het organisme. Hoewel ik de sociale dimensie van het uitgaande woord nog
niet geheel doorgronden kon en nog steeds niet doorgrond, werd het besef
geboren van de onzichtbare (en naar mij later duidelijk werd ook niet altijd
aan de orde zijnde) verbondenheid tussen mensen. Dit deed mij
huiveren. En in deze huivering stond de medemens in het volle licht. Deze
overviel mij met angst en onzekerheid: "Door u werd ik hoogachtend", schreef
ik. En ik vervolgde, bevlogen: "U bent een rotonde, op u wordt gejaagd,
toch bent u geen vluchteling. U bent een pijl in de lucht, U bent zeer
bekend maar staat nergens ingeschreven, U bent sneller dan het woord dat
U toebehoort, U heeft geen bedienden maar bent zeer rijk..." Zij bleek
een ballerina die hoog woonde en met haar vader in het vliegtuig telefoneerde
omdat het kerstmis was. Zij keek afwezig glimlachend naar buiten. Ik stond
in brand. Voor het eerst drong het probleem van de hiėrarchie zich ten
volle aan mij op, welke ikzelf had opgeroepen door de introductie van
de U figuur. Ik raakte geheel in de ban van deze hogere macht, die zich
bij mij thuis begon te voelen, zo leek het, om mij te overweldigen.
"Wie zichzelf beheerst, beheerst de wereld", schreeuwde ik geluidloos en
"Liefde vindt haar balsem overal", een uitspraak (zie tekst:Liefde vindt
haar balsum) die ik mij meende te herinneren, terwijl ik over haar schouder
mee naar buiten keek de donkere straat in, alsof daar, tussen neonlicht
en regenjas, ergens in de uitlaatgassen van een verouderde bus en verspringende
stoplichten, mijn redding lag. "Het denkend geraamte had zich zwaar bewapend
met een goed lichaam" schoot het door mijn hoofd. Ik was niet meer voor
rede vatbaar en draaide rond in metaforen. En groot verlangen naar onveranderlijkheid
en stilstand kwam in mij op en dit verontrustte mij, maar ik dwong mijzelf
helder te zijn en in dit moment van stilstand, waarin schaduwen in een
ondoordringbaar donker dansten en aan mij trokken, ontsnapte aan de donkere
leegte slechts een zin: "Verenigd buiten zichzelf". Deze gedachte, hoewel
ambivalent door de extrapolatie van alles wat ik ontdekte als onvervreemdbaar
deel van het menselijk bestaan, verhelderde mij en bracht orde in de chaos;
ik was verenigd buiten mijzelf, deel van de wereld. Dit bracht rust en
bood een uitweg. Ik accepteerde het onverenigbare tussen wat is en wat
mogelijk is. Dat was mijn redding en ik ging naar huis. Bij terugkeer
is alles anders, dit weet iedereen.
(uit katalogus In Het Park, Middelheim, Antwerpen)
|
|